Loots, Cornelis

Dichtstuk ter gelegenheid van het tweede eeuwgetijde der beurs van Amsterdam. Amsterdam, Jacobus Ruys, 1813.

8º: pi1 * 8 [2]* 4 A 8 B 6 [3]* 4, gepag.: [2] 16, 8, 36 pp. Met een frontispiece door Reinier Vinkeles, een portret van Loots door dezelfde naar A. de Lelie en een sluitvignet waarop de beurs staat afgebeeld, eveneens door Vinkeles. Oorspr. karton. Lit.: Potgieter, ‘Loots (Geene biographie)’, in: Kritische studiën I (Haarlem 1886) p.78; Kalff VII, p.26-31; Te Winkel VI, p.224-227 en 569-570; Knuvelder III, p.227; NNBW IV 931 Saalmink II, p.1186

Loots had zijn jubelzang voorgedragen toen Nederland nog deel uitmaakte van het , 523, e rijk, wat de dichter doet verzuchten: Indien de gelukkige omkeer van zaken, welke wij thans mogen beleven, eenige maanden vroeger had mogen voorvallen, er zoude een andere toon in dit Dichtstuk hebben kunnen heerschen, dan nu, daar het voor het scherpluisterend oor der Politie heeft moeten worden uitgesproken. Potgieter noemt het gedicht in zijn studie over Loots desondanks een zijner schoonste zegepralen. De autodidact Loots (Amsterdam 1765 – Amsterdam 1834) was makelaar van beroep, geheel en al man van de Verlichting en in de ogen van zijn tijdgenoten een groot dichter. Voorin het boek een Naamlijst van inteekenaren(16 pp.).

Incl. BTW  74,12

Excl. BTW  68,00

Artikelnummer: 8914 Categorieën: , ,